← Leer oplossingsstrategieën

Numeriek Redeneren Oefenvragen met Antwoorden

Oefen met 30 voorbeeldvragen gerangschikt op moeilijkheid. Klik op “Antwoord Tonen” om het juiste antwoord en de uitleg te zien.

Begin met Oefenen

Makkelijk

Makkelijk #1
Als €1 = $1.5, hoeveel is €200 in dollars?
A. 133.33
B. 300
C. 310
D. 200

Antwoord: B

Uitleg:

€200 × 1.5 = $300
Makkelijk #2
Als 130 met 50% verhoogd, wat is het resultaat?
A. 65
B. 130
C. 214.5
D. 195

Antwoord: D

Uitleg:

130 met 50% verhoogd = 130 × 1.5 = 195
Makkelijk #3
Als €1 = $1.5, hoeveel is €200 in dollars?
A. 300
B. 310
C. 200
D. 133.33

Antwoord: A

Uitleg:

€200 × 1.5 = $300
Makkelijk #4
Als 50 met 15% verlaagd, wat is het resultaat?
A. 50
B. 42.5
C. 46.75
D. 7.5

Antwoord: B

Uitleg:

50 met 15% verlaagd = 50 × 0.85 = 42.5
Makkelijk #5
Als A en B in de verhouding 2:3 staan, en A = 4, wat is B?
A. 9
B. 3
C. 4
D. 6

Antwoord: D

Uitleg:

A:B = 2:3. Als A = 4, vermenigvuldiger = 4/2 = 2. Dus B = 3 × 2 = 6
Makkelijk #6
Als €1 = $1.1, hoeveel is €500 in dollars?
A. 560
B. 500
C. 454.55
D. 550

Antwoord: D

Uitleg:

€500 × 1.1 = $550
Makkelijk #7
Als A en B in de verhouding 2:5 staan, en A = 16, wat is B?
A. 45
B. 5
C. 40
D. 16

Antwoord: C

Uitleg:

A:B = 2:5. Als A = 16, vermenigvuldiger = 16/2 = 8. Dus B = 5 × 8 = 40
Makkelijk #8
Een auto rijdt 160 km met 80 km/u. Hoeveel uur duurt de reis?
A. 2
B. 1
C. 12
D. 4

Antwoord: A

Uitleg:

Tijd = Afstand ÷ Snelheid = 160 ÷ 80 = 2 uur
Makkelijk #9
Een auto legt 160 km af in 2 uur. Wat is de snelheid in km/u?
A. 160
B. 40
C. 80
D. 90

Antwoord: C

Uitleg:

Snelheid = Afstand ÷ Tijd = 160 ÷ 2 = 80 km/u
Makkelijk #10
Als A en B in de verhouding 3:5 staan, en A = 24, wat is B?
A. 24
B. 40
C. 5
D. 45

Antwoord: B

Uitleg:

A:B = 3:5. Als A = 24, vermenigvuldiger = 24/3 = 8. Dus B = 5 × 8 = 40

Gemiddeld

Gemiddeld #11
Een auto legt 200 km af in 4 uur. Wat is de snelheid in km/u?
A. 60
B. 50
C. 25
D. 100

Antwoord: B

Uitleg:

Snelheid = Afstand ÷ Tijd = 200 ÷ 4 = 50 km/u
Gemiddeld #12
Als 60 met 10% verhoogd, wat is het resultaat?
A. 66
B. 72.6
C. 60
D. 6

Antwoord: A

Uitleg:

60 met 10% verhoogd = 60 × 1.1 = 66
Gemiddeld #13
Als €1 = $2, hoeveel is €500 in dollars?
A. 1000
B. 1010
C. 500
D. 250

Antwoord: A

Uitleg:

€500 × 2 = $1000
Gemiddeld #14
Wat is 40% van 100?
A. 80
B. 40
C. 20
D. 50

Antwoord: B

Uitleg:

40% van 100 = 100 × 40/100 = 40
Gemiddeld #15
Als 170 met 50% verlaagd, wat is het resultaat?
A. 170
B. 85
C. 93.5
D. 76.5

Antwoord: B

Uitleg:

170 met 50% verlaagd = 170 × 0.5 = 85
Gemiddeld #16
Als A en B in de verhouding 2:5 staan, en A = 14, wat is B?
A. 40
B. 35
C. 14
D. 5

Antwoord: B

Uitleg:

A:B = 2:5. Als A = 14, vermenigvuldiger = 14/2 = 7. Dus B = 5 × 7 = 35
Gemiddeld #17
Na een stijging van 50% is een prijs nu €150. Wat was de oorspronkelijke prijs?
A. 90
B. 150
C. 75
D. 100

Antwoord: D

Uitleg:

Als origineel × 1.5 = 150, dan origineel = 150 ÷ 1.5 = €100
Gemiddeld #18
Als €1 = $1.2, hoeveel is €500 in dollars?
A. 610
B. 600
C. 500
D. 416.67

Antwoord: B

Uitleg:

€500 × 1.2 = $600
Gemiddeld #19
Een bedrag van €25 wordt verdeeld in de verhouding 2:3. Wat is het kleinere deel?
A. 10
B. 12.5
C. 5
D. 15

Antwoord: A

Uitleg:

Totaal delen = 2 + 3 = 5. Kleinere deel = 25 × 2/5 = €10
Gemiddeld #20
Een bedrag van €70 wordt verdeeld in de verhouding 3:4. Wat is het kleinere deel?
A. 45
B. 30
C. 40
D. 35

Antwoord: B

Uitleg:

Totaal delen = 3 + 4 = 7. Kleinere deel = 70 × 3/7 = €30

Moeilijk

Moeilijk #21
2 liter van een 15%-oplossing wordt gemengd met 6 liter van een 40%-oplossing. Wat is de concentratie van het mengsel?
A. 28.8
B. 15
C. 38.8
D. 33.8
E. 27.5

Antwoord: D

Uitleg:

Totaal opgeloste stof = 2 × 15/100 + 6 × 40/100 = 0.3 + 2.4 = 2.6999999999999997. Totaal volume = 8. Concentratie = 2.6999999999999997/8 × 100 = 33.8%
Moeilijk #22
Examen A (30% weging) scoorde 58 en examen B (70% weging) scoorde 74. Wat is het gewogen gemiddelde?
A. 69.2
B. 64.2
C. 74.2
D. 66
E. 62.8

Antwoord: A

Uitleg:

(30% × 58 + 70% × 74) / 100 = (1740 + 5180) / 100 = 69.2
Moeilijk #23
4 liter van een 25%-oplossing wordt gemengd met 2 liter van een 60%-oplossing. Wat is de concentratie van het mengsel?
A. 31.7
B. 25
C. 36.7
D. 42.5
E. 41.7

Antwoord: C

Uitleg:

Totaal opgeloste stof = 4 × 25/100 + 2 × 60/100 = 1 + 1.2 = 2.2. Totaal volume = 6. Concentratie = 2.2/6 × 100 = 36.7%
Moeilijk #24
Een artikel kost €70 en wordt verkocht voor €105. Wat is de winst?
A. 17.5
B. 15
C. 105
D. 70
E. 35

Antwoord: E

Uitleg:

Winst = Verkoopprijs - Kosten = €105 - €70 = €35
Moeilijk #25
8 liter van een 15%-oplossing wordt gemengd met 8 liter van een 80%-oplossing. Wat is de concentratie van het mengsel?
A. 52.5
B. 42.5
C. 15
D. 27.5
E. 47.5

Antwoord: E

Uitleg:

Totaal opgeloste stof = 8 × 15/100 + 8 × 80/100 = 1.2 + 6.4 = 7.6000000000000005. Totaal volume = 16. Concentratie = 7.6000000000000005/16 × 100 = 47.5%
Moeilijk #26
Examen A (40% weging) scoorde 97 en examen B (60% weging) scoorde 51. Wat is het gewogen gemiddelde?
A. 74.4
B. 69.4
C. 78.6
D. 74
E. 64.4

Antwoord: B

Uitleg:

(40% × 97 + 60% × 51) / 100 = (3880 + 3060) / 100 = 69.4
Moeilijk #27
Een bedrag van €9 wordt verdeeld in de verhouding 1:2. Wat is het kleinere deel?
A. 28
B. 1.5
C. 4.5
D. 3
E. 6

Antwoord: D

Uitleg:

Totaal delen = 1 + 2 = 3. Kleinere deel = 9 × 1/3 = €3
Moeilijk #28
8 liter van een 20%-oplossing wordt gemengd met 5 liter van een 50%-oplossing. Wat is de concentratie van het mengsel?
A. 26.5
B. 31.5
C. 20
D. 36.5
E. 35

Antwoord: B

Uitleg:

Totaal opgeloste stof = 8 × 20/100 + 5 × 50/100 = 1.6 + 2.5 = 4.1. Totaal volume = 13. Concentratie = 4.1/13 × 100 = 31.5%
Moeilijk #29
Als 6 arbeiders een klus in 8 dagen kunnen klaren, hoeveel dagen hebben 8 arbeiders nodig?
A. 11
B. 6
C. 12
D. 8
E. 3

Antwoord: B

Uitleg:

Totaal werk = 6 × 8 = 48 arbeider-dagen. Met 8 arbeiders: 48 ÷ 8 = 6 dagen
Moeilijk #30
Een bedrag van €28 wordt verdeeld in de verhouding 1:3. Wat is het kleinere deel?
A. 7
B. 14
C. 21
D. 3.5
E. 10.5

Antwoord: A

Uitleg:

Totaal delen = 1 + 3 = 4. Kleinere deel = 28 × 1/4 = €7

Veelgestelde Vragen

U krijgt percentageberekeningen, verhoudingsproblemen, tarief-/werkproblemen, winstmarges en meerstaps-woordproblemen. Elke vraag presenteert een realistisch scenario dat wiskundig redeneren vereist.
Vrijwel alle grote werkgevers: zakenbanken, adviesbureaus (McKinsey, BCG, Bain), Big 4-accountantskantoren, techbedrijven en traineeprogramma's. SHL-, Korn Ferry- en Talent Q-tests bevatten veel numeriek redeneren.
Beheers snelrekentrucs: 10% = delen door 10, 5% = helft van 10%, 25% = delen door 4. Voor omgekeerde percentages: als X na Y% stijging, dan oorspronkelijk = X ÷ (1 + Y/100). Oefen met schatten om snel foute antwoorden te elimineren.
Elke vraag wordt procedureel gegenereerd met realistische bedrijfsscenario's en willekeurige waarden. Het systeem maakt woordproblemen met percentages, verhoudingen, tarieven en meerstapsberekeningen, en genereert vervolgens plausibele afleiders op basis van veelvoorkomende rekenfouten. Dit zorgt ervoor dat elke vraag één correct antwoord heeft en biedt onbeperkte unieke oefening.