Leren
Eén woord benoemt een gereedschap, het andere wat het gereedschap creëert of waarop het inwerkt.
Een gereedschap-product-analogie koppelt een instrument (pen, camera, hamer) aan zijn uitvoer of het materiaal waarop het inwerkt (schrift, foto, ingeslagen spijker). De relatie is functioneel en gericht: het gereedschap creëert of wijzigt het product. Beide paren moeten dezelfde causale richting behouden.
A (gereedschap) : B (product van A) :: C : D
- pen : schrift :: kwast : schilderij
- camera : foto :: oven : brood
- zaag : plank :: weefgetouw : stof
Zo herkent u het
- Vraag: 'Wat produceert of beïnvloedt A?' — het antwoord is B
- A en C zijn fysieke instrumenten; B en D zijn hun resultaten
- Richting: producent → product, niet andersom
Veelgemaakte fouten
- Materiaal verwarren met product (pen : inkt)
- Verwarring met werker-werkplek of deel-geheel
- Richting aan één kant omkeren