Leren
Eén woord benoemt een persoon op basis van rol, het andere de plek waar die rol wordt uitgevoerd.
Een werker-werkplek-analogie koppelt een rolbegrip (docent, chef, rechter) aan de typische fysieke setting waar die rol wordt uitgevoerd (school, keuken, rechtszaal). De relatie is asymmetrisch en gericht. Beide paren moeten dezelfde richting aanhouden.
A (rol) : B (werkplek van A) :: C : D
- docent : school :: chef : keuken
- rechter : rechtszaal :: piloot : cockpit
- boer : boerderij :: chirurg : operatiekamer
Zo herkent u het
- Vraag: 'Waar werkt A meestal?' — het antwoord is B
- A en C benoemen mensen gedefinieerd door een beroep
- B en D benoemen fysieke ruimtes, geen abstracte begrippen
Veelgemaakte fouten
- Richting aan één kant omkeren
- Werkplek verwarren met werktuig (chef : mes)
- Een slechts vaag geassocieerde plek gebruiken (docent : boek)